| Tom
Barman krijgt er grijs haar van 'Ik kijk uit naar mijn oude dag' Tom Barman woont één hoog, in een ruime, sober bemeubelde flat op vijf minuten wandelen van het Centraal Station. Hij is net terug uit Dublin, waar hij met Guy Van Nueten enkele akoestische concerten heeft gespeeld. ‘Het was fantastisch,’ zegt hij. ‘Alles was in orde. De taxi’s perfect op tijd aan de luchthaven, hotelkamer in orde, fijne locatie, aangename mensen. Kortom: zoals het eigenlijk nooit is.’ We zijn hier op bezoek omdat dEUS deze week voor het eerst sinds de release van The Ideal Crash’ in 1999 weer een teken van leven geeft. Een imposant teken van leven zelfs: een verse single, ‘Nothing Really Ends’, een verzamel-cd, ‘No More Loud Music’, met de elf tot nog toe verschenen singles van de groep, en het pronkstuk van het dEUS-kerstoffensief: een dvd, ‘No More Video’, met alle videoclips plus een speels overzicht van de chaos, liefdes, ruzies, vriendschappen, verveling, ellende, katers, succes en trots die acht jaar dEUS heeft opgeleverd. TOM BARMAN: Dvd is een enorme vooruitgang ten opzichte van VHS. Ik herinner
me dat ik hier in mijn woonkamer naar een film op dvd zat te kijken, en
dacht dat er iemand in mijn keuken zat. Zo goed is dat geluid. Klank is
erg belangrijk voor een regisseur, er wordt heel veel aandacht aan besteed,
maar op video merk je daar niets meer van. HUMO: Net voor Kerstmis. BARMAN: Perfect getimed, ja (grijnst). We hebben heel hard gewerkt om die deadline te halen, In Engeland zullen die spullen volgend jaar in de winkels liggen, want daar zien ze het meer als een opwarmer voor de nieuwe plaat die er in 2003 moet komen. HUMO: Zie je het zelf niet als een manier om de geruchten dat dEUS zou splitten de kop in te drukken? BARMAN: Niet echt, ook al kan ik niet ontkennen dat het sabbatjaar van
dEUS intussen een sabbatdecennium aan het worden is (lacht). Die releases
zijn inderdaad een prima manier om nog eens iets van ons te laten horen,
maar van een split is nooit sprake geweest. We hebben altijd pas nieuw
werk uitgebracht wanneer we er zelf tevreden over waren en wisten dat
we de mensen iets goeds te bieden hadden. Op die manier hebben we ook
een fanbase opgebouwd, en één die het niet erg vindt een
jaartje langer op een cd te wachten, als het maar een goeie is.
BARMAN: Dat is zo. Die singles-collectie zal het wellicht vooral goed
doen in België, maar wij mikken helemaal niet op België. Wij
mikken op de plaatsen waar we zelf graag komen, en dat is: overal. HUMO: Jullie mogen dan niet specifiek op België mikken, maar toen ik oude songs als ‘Suds & Soda en ‘Via’ op de compilatie terughoorde, vond ik die heel erg als ‘Belgische muziekgeschiedenis’ klinken, iets wat ik tot nog toe alleen in TC Matic hoorde. BARMAN: Dat zal dan wel een compliment zijn, zeker. Ik ben er overigens
best trots op dat we een Belgische groep zijn. In het begin zweeg ik het
buitenland over onze nationaliteit want hoe je het ook draait of keert:
een Belg krijgt minder kansen dan pakweg een Engelsman of Amerikaan. Daarom
vind ik onze live-reputatie veel belangrijker dan die tweehonderdduizend
exemplaren die we van elke plaat verkopen. Als dEUS geen live-groep was,
hadden we hier nu wellicht niet zitten praten. HUMO: Had je die dvd kunnen samenstellen als je de andere groepsleden tijdens het afgelopen jaar nog wekelijks in het repetitiehok had gezien? BARMAN: Ongetwijfeld niet, want als ik wekelijks met die mensen moet
werken, heb ik geen zin om ze ook nog eens dagen- en nachtenlang in honderden
videofilmpjes tegen te komen. Het is niet omdát het even stil is
rond dEUS dat we vlug die dvd maken om nog wat geld te scheppen, nee,
net om onder andere die dvd te kunnen maken was het even stil rond dEUS. HUMO: Wat moeten we daaronder verstaan? BARMAN: Twijfels. De vraag: doe ik het goed? ‘The Ideal Crash’
was voor ons een grote stap voorwaarts. Toen heb ik af en toe gedacht:
moeten we nu wel een pauze nemen? Nemen we wel de juiste beslissing? Het
enige wat je in zo’n geval kunt doen is je hartje volgen, hoe simpel
dat dat ook mag klinken. OPOES IJZEREN LONG HUMO: Voor De Standaard heb je een half jaar geleden je idool Will Oldham geïnterviewd. wat heb je daarvan opgestoken? BARMAN: Ik weet nog dat ik heel zenuwachtig was - ik had her en der
gelezen dat hij een moeilijk man was - en me achteraf een week lang idioot
heb gevoeld omdat mijn vragen veel te lang waren en ik hem veel te vaak
had onderbroken. Oldham maakt, in tegenstelling tot ons, niet veel ophef
als hij een nieuwe plaat uitbrengt. Dat is een keuze, en het voordeel
ervan is dat hij heel veel platen kan uitbrengen die niet allemaal even
goed hoeven te zijn, en die hij in twee weken kan inblikken. Dat is bij
ons allang niet meer het geval. Ik wil elke noot ondersteboven keren.
Dat heb ik met alles: het moet allemaal gewikt en gewogen worden. Er zijn
mensen die dat overdreven vinden en menen dat alleen de heel grote groepen
recht hebben op perfectionisme, maar dat deert me niet. HUMO: Wat ik me altijd heb afgevraagd: voor een journalist is een interview tijdens een promodag (van ‘s morgens vroeg tot avonds laat interviews, met doorgaans om het halfuur een journalist) geen pretje, maar hoe doorstaat een artiest dat in godsnaam? BARMAN: Zo’n promo-dag is verschrikkelijk, een degelijk interview
geven in zulke omstandigheden is nagenoeg onmogelijk. De joumalisten moeten
zich wegens tijdsgebrek beperken tot vragen als ‘Waar gaat dit nummer
over?’ ‘Waarom heb je de plaat zo genoemd?‘, vragen
waar je natuurlijk niet kort én juist op kan antwoorden. Bij een
ernstige artiest waait zijn leven door zijn werk, maar dat leven wordt
er tijdens die interviewmarathons wel volledig uitgezogen. HUMO: Stel dat Klaas volgend jaar echt zin heeft om de Mount Everest te gaan beklimmen, kun jij je daar dan bij neerleggen, verondersteld dat jij wél ongelooflijk veel zin zou hebben om een dEUS plaat te gaan maken? BARMAN: (lacht) Er zijn genoeg dingen die ik nog wil doen, dus als Klaas wil gaan klimmen dan neem ik eindelijk de akoestische plaat op die ik al jaren wil maken. Met dEUS gaat dat niet, zo’n akoestische set zou veel te saai zijn om mee op tour te trekken. dEUS moet opwindend zijn, spektakel. Als we een plaat gaan opnemen, beslissen we dat ook niet twee weken voor de opnames, iedereen weet lang op voorhand hoe de planning er ongeveer uitziet. Eind 2002 beginnen we eraan, dat weten we nu al. NAAR HET SONGVESTIVAL HUMO: Ik heb daarnet even een blik op je boekenkast geworpen. Ik zag vooral veel biografieën van cineasten en muzikanten. Eigen je je weleens werkmethodes van collega’s toe? BARMAN: Dat gebeurt, maar meestal weten die mensen ook niet hoe het
precies moet. Ik heb nogal veel interesses, of beter, veel obsessies (lacht).
Dat kan contraproductief werken, want je schiet van het ene naar het andere.
Maar je kunt nu eenmaal niet tegen je eigen natuur ingaan alleen omdat
andere artiesten het anders doen. HUMO: Voor dit interview had je een vergadering, ik neem aan dat dat bij de minder romantische aspecten van het vak hoort? BARMAN: Nee, van een constructieve vergadering kan ik zelfs stevig genieten. Zolang het maar niet is zoals in ‘Annie Hall’ van Woody Allen: twee zakenmannen staan een dikke sigaar te roken, en de een zegt tegen de ander: ‘This afternoon we’ll turn it into a plan, by Tuesday it will be a concept, and by the end of the week it will be an idea’ (lacht). HUMO: Bestaat het gevaar niet nu dEUS lange tijd niet meer samen heeft gespeeld, dat de groepsleden compleet verschillende richtingen zijn uitgegaan? BARMAN: Goh, dat weet ik niet, want behalve voor de opname van ‘Nothing
Really Ends’ hebben we nog niet opnieuw samengespeeld. Maar ik ben
er vrij gerust op. Danny (Mommens, red.) is de enige die tijdens ons sabbatjaar
met muziek bezig is geweest, en ik kan me heel goed vinden in Vive La
Fête. En wat Tim (Vanhamel, red.) met Millionaire doet, vind ik
geweldig. Ik weet nog niet of Tim nog gaat meedoen, de vraag is nog niet
gesteld. Misschien komt Craig wel terug - hij is ook komen meespelen op
‘Nothing Really Ends’ - of Rudy of Stef. We zien wel. HUMO: Jij hebt ‘Nothing Really Ends’ geschreven. Ben je dan na zo’n lange pauze zelfs geen klein beetje bang voor de reacties van de anderen als je het hun voor het eerst laat horen? BARMAN: (denkt na) Nee. (Denkt verder na) Nee. Eindelijk eens een beknopt antwoord (lacht). HUMO: Danny heeft me ooit verteld dat hij spijt had dat hij een banjo had meegenomen naar de opnames van ‘Instant Street. Hij had in die song liever toetsen dan banjo gehoord. Hoe wordt zo’n knoop doorgehakt? Stemming? BARMAN: Ik kan me niet herinneren dat er iemand van de groep ooit problemen
heeft gehad met de manier waarop dat nummer is ingespeeld. Integendeel.
‘Instant Street’ was oorspronkelijk veel sneller, tot ik voorstelde
er een bossa-ritme onder te zetten. Ik meen me zelfs te herinneren dat
iedereen razend enthousiast was over het feit dat we een banjo op onze
plaat hadden (lacht). ROCKRALLY HUMO: Als ik mij niet vergis is ‘Nothing Really Ends’ de eerste dEUS-song waarin vrouwelijke backing-zangeressen zitten. Wanneer tijdens het schrijven weet je dat je die nodig hebt? BARMAN: (brede grijns) Háá, ik zit gewoon al jaren te zagen dat ik een vrouwen- of mannenkoor wil, liefst alletwee tegelijk. En ‘Nothing Really Ends’ is zo geschreven dat ze mij mijn zin wel moesten geven (lacht). Die vier madammen horen zingen... dat was - en ik overdrijf niet - een hartverscheurend mooi moment. Ik kan je al verklappen dat er zo nog meer songs aan zitten te komen. Het nummer heette oorspronkelijk trouwens ‘Evergreen’, niet echt bescheiden, hè (lacht). HUMO: Als ik jou op een feestje of een concert zie, sta je meestal wild gesticulerend met iemand te discussiëren. Volgens mij doe je dat gewoon graag. BARMAN: (lacht) Een goeie discussie kan heel constructief zijn, ja. Twee jaar geleden zat ik bijvoorbeeld in de finale-jury van Humo’s Rock Rally, waar er werd gediscussieerd dat het een aard had. Wel, ik vond dat geweldig. Ik zeg altijd: over kleuren en smaken valt heel hard te discussiëren (lacht). Sterker nog: het zijn wellicht de enige dingen waarover een discussie mogelijk is. HUMO: Een jaar geleden vertelde je me over Magnus, je project met CJ Bolland en Peter Vermeersch waarover toen nog niets bekend mocht zijn. Hoe zit het daarmee? BARMAN: (lacht) Er mocht een jaar geleden nog niets over bekend zijn omdat ik toen waarschijnlijk al wist dat het toch weer een zaak van lange adem zou worden. We hebben nu veertien songs, demo’s zeg maar, en eind januari moet alles af zijn. De plaat van Magnus zal zeker uitkomen voor die van dEUS. Het is een dansproject, maar dan wel eentje met plaats voor songs. We willen een heel sexy, funky plaatje maken, met heel weinig tekst. Of alleszins veel minder dan bij dEUS. De ideeën voor de songs komen hoofdzakelijk van mij, maar eigenlijk schrijven we allemaal samen. Als ik iets maak, is dat met de wetenschap dat CJ er nog een beat en veel meer aan zal toevoegen, en dat Peter er nog een arrangement bij zal verzinnen. Ik laat ruimte, voor mij is het een soort les in leegheid. Magnus stelt me ook in staat eens met een heleboel andere muzikanten te werken. De Dewaele Brothers doen mee, Anton Janssens, toetsenman bij Mauro, en Mauro zelf - die straks zijn partij trouwens komt binnengooien. Maar ik heb niet alleen met bekende mensen gewerkt, vooral met onbekenden eigenlijk. Ik heb de afgelopen jaren ontzettend veel elektronische muziek gekocht, beluisterd en tijdens mijn dj-sets gedraaid. Ik vind het een enorm fascinerend genre, en ik heb me er al honderd vragen over gesteld. Hoe verhoudt dansmuziek zich tot liedjes, zeg maar? Kan dansmuziek meer zijn dan pure consumptie? Kunnen we tot een geloofwaardige combinatie komen van dansmuziek en songs? Razend interessante vragen vind ik dat - ik heb het er zelfs met Will Oldham over gehad - en met Magnus wil ik er een soort antwoord op proberen te verzinnen en luister-dansmuziek maken. Muziek die doet bewegen, maar die ook iets zegt, en emoties bevat die verder gaan dan ‘we drinken zes wodka-Red Bulls en gaan de hele nacht dansen’ - ook al vind ik ‘zes wodka-Red Bulls drinken en de hele nacht dansen’ een fantastisch gegeven waar ik volledig achter sta (lacht). Maar die hele discussie over wat nu het één is en wat het ander, vind ik waanzinnig interessant. Zoals ik al zei: ik heb geen interesses. ik heb obsessies. Wat voor veel mensen een evidentie is, is voor mij een ware helletocht. Als ik met iets bezig ben, zit ik al aan iets anders te denken. Het houdt nooit op. Ik moet mezelf echt verplichten en zeggen: ‘Oké Tommy, dit is het concept, het bestaat uit drie woorden, plak die tegen de muur en hou je eraan.’ Gericht werken, daar gaat het om. Inspiratie my ass, je moet het gewoon doén. Je moet het voor jezelf niet belangrijker, ingewikkelder of gewichtiger maken dan het is. HUMO: Of zoals Keith Richards ooit zei: ‘Art is only short for Arthur.’ BARMAN: Voila. Art mag zeker niet het beginpunt zijn. Je moet van A naar B, zo simpel is het, en dat moet je gewoon doen. SAD BASTARDS HUMO: Aan welk door de kenners goedgekeurd kunstwerk heb je je onlangs verschrikkelijk gestoord? BARMAN: ‘Meeting People Is Easy’, die waanzinnig deprimerende documentaire over de ‘OK Computer’-tour van Radiohead. Als je weet dat er mensen zijn die dagelijks hersenen van verkeersdoden van de straten moeten schrapen, als je weet dat er mensen zijn die zich niet eens een cd kunnen veroorloven, hoe durf je dan in ‘s hemelsnaam miserabel doen over wereldsucces? Dat is navelstaarderij van de ergste soort. Wie denkt er in 2001 in godsnaam nog dat wereldsucces rozengeur en maneschijn is? (Windt zich op) Ik niet, jij niet, en mijn nichtje van zeventien ook niet. Hallo! Wake up, sad bastards! Wat mij vooral stoort aan die film is dat er geen sprankeltje licht in zit, en dat onder het mom van ultieme zelfrelativering, want ze willen vooral bewijzen hoe down to earth ze nog zijn. Maar tegen al die ventjes van zeventien die ervan dromen in een groepje te spelen zeggen ze: ‘Er niet aan beginnen schattekes, want in Japan om negen uur moeten opstaan voor een fotosessie is de hél.’ Fuck off jongen! Dat is helemaal niet de hel. De hel is iets helemaal anders. Wat mij ook mateloos stoort aan die zogenaamde grote groepen, is dat ze in interviews hun bakkes niet opentrekken over onbekende groepjes die ze goed vinden. Muse vindt Millionaire geweldig, en van Stef weet ik dat die gasten in hun kleedkamer niets anders dan Millionaire draaien. Waarom lees je dat in geen enkel interview? Gavin Rossdale van Bush heeft ons ooit gesmeekt mee op tournee te gaan in Australië. Hij kende ‘The ldeal Crash’ vanbuiten. We konden jammer genoeg niet. Maar denk je dat hij in één interview ooit de naam dEUS heeft laten vallen? Vergeet het. Anderzijds vind ik mezelf goed genoeg en denk ik: ach, ik heb Bush helemaal niet nodig. Ik moet tot mijn schande wel toegeven dat ik hun laatste single heel goed vind. Ik heb Bush nochtans altijd gehaát (lacht). HUMO: Je bent al enige tijd aan een filmscenario aan het werken. Zet je muziek op tijdens de arbeid? BARMAN: In het begin niet. Een halfjaar lang heb ik nauwelijks naar muziek geluisterd, tot op een bepaald moment duidelijk werd welke muziek er op de soundtrack zou gaan belanden: toen kon ik niet meer schrijven zónder die muziek. Het is een soort Pavlov-reflex: als ik nu die muziek hoor, wil ik schrijven. HUMO: Over welke muziek hebben we het? BARMAN: Jazz. Mingus, Archie Shepp... veel orkestrale dingen. HUMO: Waarom maak je de sound-track niet zelf? BARMAN: Dan moet ik met te veel dingen tegelijk bezig zijn. Met dEUS gaan we binnenkort wel een soundtrack maken, voor ‘Résistance’, een film van de Amerikaanse regisseur Todd Kolmaniki. Het verhaal speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar veel ontploffingen zullen er niet aan te pas komen. De oorlog zit vooral in de dialogen. Volgende week beginnen de opnames in de Ardennen. We moeten nog een paar keer met de regisseur gaan praten, even checken waarom hij ons wil en wat hij van ons verwacht. Hij is een grote dEUS-fan, dus moeten we proberen uit te vissen hoe we aan die soundtrack een dEUS-touch kunnen geven zonder dat het een semi-dEUS-plaat wordt, want dan breng je de mensen - jezelf incluis - weer onnodig in de war. Het mag geen belegen rock worden, het moet om een feel gaan, de feel van die film. Het moet een combinatie worden van impulsiviteit en freshness, met doordachtheid en expertise (lacht). HUMO: Ik zie het foto-onderschrift al staan. BARMAN: Schrijf er dan toch maar tussen haakjes ‘lacht’ achter (lacht). Voor een groep is het heel moeilijk op een bevredigende manier op een soundtrack terecht te komen. We hebben met dEUS al vaak op het stapeltje gelegen. Te vaak om me nog illusies te maken. Een tijd geleden waren we in de running voor een song op de soundtrack van ‘Mortal Transfer’, een film van Jean-Jacques Beineix bekend van onder andere ‘Betty Blue’, red.), een groot regisseur waarvoor ik normaliter een gat in de lucht zou springen, maar het deed me niks omdat ik weet dat er een enorme kloof gaapt tussen ‘in de running zijn’ en uiteindelijk op de soundtrack belanden. Maar Beineix hapte toch toe. Ik ben hem in Parijs gaan opzoeken, en het is ‘Theme from Turnpike’ geworden, op een goeie manier gebruikt, in een goeie film. Een zeldzaamheid. HUMO: Elk interview met jou staat vol citaten, en ook in je songteksten maak je weleens vakkundig gebruik van andermans wijze woorden. Je bent duidelijk een liefhebber. Moet je jezelf intomen om er niet te veel gebruik van te maken? BARMAN: Nee, ik probeer eigenlijk vooral zelf citaten te schrijven. Dat er af en toe eens eentje van iemand anders tussensluipt, vind ik gewoon mooi. Citeren is ook iets anders dan imiteren, hè. Waarover ik onlangs trouwens nog een goed citaat heb gelezen: ‘Net het tegenovergestelde doen is ook een vorm van imitatie.’ Als ik in ‘Nothing Really Ends’ zing: ‘ I once told a friend, nothing really ends, but no-one can prove it’. Dan maak ik me sterk dat daar iets in zit dat rijmt, en dat uitnodigt tot nadenken. Oneliners zijn nog zo’n obsessie van mij. Ik kijk op naar mensen die ouder zijn dan ik, mensen die hebben geleefd, dingen hebben gezien en hun betoog kunnen spekken met de juiste citaten op het juiste moment. The art of conversation, een kunstvorm die jammer genoeg aan het verdwijnen is. En vaak dankzij mensen die die kunst op een pedante manier gebruiken. Neem nu zo’n Harry Mulisch, alstublieft zeg. ‘De Ontdekking van de Hemel’, ik heb het boek niet gelezen, maar de film was verschrikkelijk: intellectuele masturbatie. Mulisch is zo’n type dat aaneenhangt van citaten en zijn belezenheid misbruikt voor dingen die hij zelf niet kan bedenken. HUMO: Om af te sluiten een citaat van Tom Barman: ‘Ik ben amper negenentwintig en ik weet het allemaal nog niet.’ Verwacht je dat je het ooit wel allemaal zult weten? BARMAN: Ik vind ouder worden in ieder geval helemaal niet erg. Ik kijk er zelfs naar uit. Je lichaam geeft het stukje bij beetje op, maar je geest wordt alleen maar sterker, rijker en voller. Op je zestigste heb je niet meer de scherpte van een vijfentwintigjarige, maar je krijgt er wel iets anders voor in de plaats: wijsheid. Volgens mij ook zowat het enige dat een mens kan bereiken. Mijn moeder is zeventig, maar ze wordt met het jaar spitser en gevatter. Bozer en kwader ook. HUMO: Jij kijkt ernaar uit om bozer en kwader te worden? BARMAN: Ja, dat vind ik fantastisch. Dat betekent dat je het vuur nog in je hebt. Mijn moeder zit zich natuurlijk niet vierentwintig uur per dag kwaad te maken, maar áls ze zich opwindt... Blijf dan uit de buurt. HUMO: Bedankt voor de tip! Jurgen Beckers
|